In dit hoofdstuk beschrijven we wat uw kind leert op school. Als school proberen we zo actueel mogelijk te zijn, maar voor een groot deel ligt de leerstof vast in de methoden die we gebruiken. De vakken taal, lezen en rekenen vormen de kern van ons onderwijs. Het zijn basisvaardigheden, ze vormen de basis voor elke andere ontwikkeling. Daarom legt onze school nadruk op deze vakken.
Per groep is het onderwijsaanbod uiteraard verschillend, maar twee dingen vinden in iedere groep plaats. De schooldag wordt begonnen met de bijbelles: we zingen en bidden en –enigszins afhankelijk van de groep - drie maal per week wordt een bijbelverhaal verteld dat op vrijdag wordt verwerkt. Hiervoor gebruiken we de methode Startpunt. Op maandag wordt een psalm aangeleerd, die vanaf groep 5 ook thuis wordt geleerd. U ontvangt aan het begin van ieder schooljaar het overzicht van te leren psalmen, die u desgewenst ook in de door u gekozen berijming kunt aanleren. In de groepen 7 en 8 brengen we de kinderen ook in aanraking met de kerkgeschiedenis en leren we de kinderen omgaan met de Bijbel als boek.
Ook wordt in iedere groep systematisch aandacht besteed aan de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen. We hanteren daartoe de methode “Beter omgaan met jezelf en de ander”. Door middel van spel, rollenspelen, verhalen, oefeningen en opdrachten leren we de kinderen een positief zelfbeeld te verkrijgen, goed om te gaan met anderen en sociale vaardigheden te ontwikkelen. Als school stellen we ons ten doel het pedagogisch klimaat zo in te richten dat kinderen en leerkrachten eraan wennen om vrijuit te praten over gevoelens en kwetsbare ervaringen.
In onze kleutergroepen wordt gewerkt met een vorm van onderwijs die Ontwikkelingsgericht Onderwijs (afgekort: OGO) wordt genoemd. OGO betekent geen vrijblijvendheid maar juist een gerichtheid op ontwikkelingsdoelen, zoals de ontwikkeling van de persoonlijkheid, van taal en rekenen en van fantasie en creativiteit. Ontwikkeling komt niet alleen van binnenuit, maar is het resultaat van een wisselwerking met de omgeving.
Het komt erop aan in het onderwijs een stimulerende omgeving te bieden waarin
kinderen allerlei ontdekkingen kunnen doen. Van groot belang is dat de
kinderen zelf inbreng hebben. We geven dus geen begrippenlesjes over
groot – groter - grootst, maar bieden bijvoorbeeld deze activiteit aan: met
deeg en allerlei bakkerswaren grote en kleine taartjes bakken. Daarbij komt het
begrip groter ook ter sprake. Alleen maken de kinderen er zo veel zinvoller,
speelser en creatiever kennis mee. Bovendien zorgt het samen een taart maken
ervoor dat kinderen met anderen een plan moeten maken, moeten samenwerken,
problemen als ‘hoe versieren we de taart’ moeten oplossen, vindingrijk
moeten zijn, creatief etc. We noemen dit een ‘rijke’ ontwikkelingsgerichte
activiteit. Vooral als de hulp van de leerkracht de kinderen op diverse
fronten vooruit helpt. (In termen van OGO heet dit: kinderen de stap laten
zetten in de naaste zone van hun ontwikkeling.)
In de praktijk zijn we steeds op zoek naar ontwikkelingsactiviteiten waarin de 4 B’s zichtbaar zijn :
B: Betrokkenheid van de kinderen
B: Brede bedoelingen in zich hebben
B: Betekenisvolle activiteiten zijn
B: Bemiddelende rol van de leerkracht
Zelfstandigheid, initiatief durven nemen, samenwerken e.d. zijn even
belangrijk als de verstandelijke ontwikkeling. Daarom moeten ze in elke
activiteit gestimuleerd worden. Maar specifieke kennis en vaardigheden zoals
lezen, rekenen en schrijven moeten natuurlijk ook aangeleerd worden. Deze
vaardigheden proberen we zoveel mogelijk in te passen in thematische activiteiten (het werken met thema's). We gebruiken de bestaande methodes als hulpmiddel, we volgen dezelfde leerlijnen en houden de ontwikkeling van de kinderen in deze
activiteiten met behulp van observaties bij. We gaan uit van de volgende vijf
leerlijnen:
1. mondelinge taalontwikkeling
2. woordenschatontwikkeling
3. beginnende geletterdheid
4. beginnende gecijferdheid
5. sociaal-emotionele ontwikkeling
De leerkracht kijkt en luistert naar het kind om erachter te komen wat het
kind wil en kan en waarbij het geholpen moet worden. De leerkracht praat
daarover met het kind, maar doet dat op zo'n manier dat het kind zelf
plannen en/of oplossingen bedenkt. Het kind krijgt de ruimte om zelf te
denken.
Eigen ervaringen vinden we erg belangrijk. Daarom horen bij de thema's vaak
uitstapjes (bos, brandweer) of halen we echte materialen in school
(ziekenhuisbedden en dergelijke) De kinderen vertellen hierover en passen de opgedane
kennis toe. De leerkrachten vullen aan en breiden uit.
Activiteiten met de 4 B's zijn op school te vinden in het werk in de hoeken.
We kennen in de onderbouw de huishoek, de bouwhoek, de letterhoek, de
zand -watertafel, de knutselhoek, de leeshoek, de vaste kring en de
themahal. (De hal waarin het thema in diverse activiteiten wordt uitgewerkt
en uitgebeeld.) In het hoekenwerk ontwikkelen de kinderen zich via
rollenspel naar de leeractiviteit.
Binnen ontwikkelingsgericht werken valt direct de bijzondere aandacht voor
het rollenspel op. Kinderen tussen de 4 en 8 jaar kunnen zichzelf lang en
intensief bezig houden met deze vorm van spelen. Wat we bedoelen is het spel
dat ze met elkaar spelen waarbij zowel de volwassen wereld als de eigen
fantasiewereld een plaats krijgt. Dat spel begint meestal zo: ‘Jij was de
moeder en ik het kind’. Kinderen spelen het graag, ze gaan er helemaal in
op en kunnen het lang volhouden (als ze zich goed ontwikkelen). Door dit
spel imiteren kinderen de volwassenen (dokter, buschauffeur, winkelier,
etc.) en dat is precies wat ze nodig hebben om deel te kunnen nemen aan het
sociale verkeer.
Ze leren :
· rekening houden met anderen, met regels en afspraken
· omgaan met materialen die steeds van betekenis kunnen veranderen ( een
doos kan een boot zijn maar ook een hut)
· omgaan met apparaten zoals een telefoon, magnetron, koffiezetapparaat
· zelf attributen maken die ze nodig hebben
· omgaan met cijfers, geschreven woord (etiketten op boodschappen,
boodschappenbriefjes), symbolen en pictogrammen (rode kruis op
E.H.B.O -koffer) )
Er wordt in het spel een begin gemaakt met abstract denken, want veel is
’zogenaamd’. (Dit was zogenaamd een bus.) Zowel op school als thuis moeten
we veel gelegenheid geven voor dit spel. Uit onderzoek is namelijk gebleken
dat kinderen geen ontwikkelingsfase kunnen overslaan. Het kind ontwikkelt
zich via rollenspel en gaat daarna pas over tot leeractiviteiten. Wanneer
kinderen niet goed ‘spelen’, zullen ze problemen krijgen met leren!
Vanaf groep 3 verandert er het één en ander. Het 'speelse' karakter van het onderwijs maakt plaats voor een meer 'schools' karakter. Wel streven we er naar die overgang zo klein mogelijk te laten zijn. Zo zijn er in groep 3 extra speelmomenten ingebouwd en beschikt groep 3 bijvoorbeeld over enkele hoeken waarin kan worden gespeeld.
In onze school hanteren we het leerstofjaarklassensysteem. We vinden dat voor onze school het meest geschikt: systematisch werken we toe naar een zo optimaal mogelijk eindresultaat zonder daarbij het individuele kind uit het oog te verliezen. Belangrijk hulpmiddel bij ons onderwijs zijn de methoden die we gebruiken. We gebruiken moderne methoden die recht doen aan de individuele verschillen tussen kinderen.
Met ingang van het schooljaar 2002-2003 gebruiken we de methode ‘Wis en reken’, die geheel beantwoord aan de eisen die een moderne rekenmethode stelt. Het is een zogenaamde realistische methode, uiteraard geheel ‘europroof’.
Sinds 2009 gebruiken we hiervoor methode 'Taaljournaal' in groep 4 t/m 8. Taalonderwijs is veelomvattend: de woordenschat wordt uitgebreid, ideeën worden verwoord, spelling, luisteren naar anderen, het schrijven van verhalen en spreekbeurten. 'Taaljournaal ' biedt een uitgebalanceerd pakket en voldoet aan de eisen die aan een goede taalmethode gesteld worden.
Daarnaast gebruiken we in verschillende groepen het programma ‘Woordenschat’.
In groep 3 wordt een start gemaakt met het leren lezen. We doen dat met de nieuwste versie van de methode Veilig leren lezen die in 2008 is ingevoerd. Deze methode leert de kinderen lezen met de nieuwste inzichten op het gebied van de didactiek van het leesonderwijs.
Vanaf groep 4 wordt het technisch lezen verder geoefend aan de hand van verschillende leesseries. Ook wordt dan begonnen met het begrijpend en studerend lezen. Hiervoor is in 1997 de methode 'Goed Gelezen' in gebruik genomen. Ook deze methode voldoet ruimschoots aan de eisen van het huidige basisonderwijs. Verder wordt gebruik gemaakt van aanvullend materiaal t.b.v. begrijpend en studerend lezen. Onder andere Begrijpend lezen van het Cito.
In de loop van het schooljaar 2001-2002 is een nieuwe vorm van technisch lezen in de school ingevoerd waarbij op vaste momenten in de week alle kinderen lezen op het eigen niveau.
We leren de kinderen niet alleen technisch en begrijpend lezen, we proberen ze ook liefde voor boeken bij te brengen. Daarom wordt er voorgelezen en mogen kinderen zelf lezen in de klassenbibliotheek. De school leent bij Biblioservice een fors aantal prentenboeken voor groep 1 en 2 voor een vast bedrag per boek per schooljaar. Twee maal per jaar worden de boeken gewisseld. Het spreekt voor zich dat we toezien op de inhoud van de boeken. In de groepen 3 tot en met 8 schaffen we jaarlijks een aantal boeken aan, met het doel in een aantal jaren een geschikte voorraad boeken op te bouwen, waaruit de leerlingen kunnen kiezen voor hun stilleestijd. We maken gebruik van de jaarlijkse lijst die uitgegeven wordt door de christelijke kinderboekenweek. Voor de groepen 3 tot en met 8 is er jaarlijks € 500 euro beschikbaar om boeken aan te schaffen.
Jaarlijks brengen ook enkele groepen een bezoek aan de bibliotheek om ook op deze manier het lezen te bevorderen. Verder proberen we zoveel mogelijk deel te nemen aan door de bibliotheek geïnitieerde activiteiten.
We leren kinderen schrijven met de methode 'Schrijfsleutel'. De kinderen schrijven vanaf januari groep 3 met een Lamy vulpen.
Dit is een dure vulpen, maar van goede kwaliteit. We vinden dit belangrijk! In principe schrijven de leerlingen bij ons altijd met de vulpen. Indien de vulpen door kinderen moedwillig kapot gemaakt wordt, kan er via school een nieuwe vulpen gekocht worden.
In 2003 is de methode ’Hello World’ in gebruik genomen. Een nieuwe methode, uitstekend geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen.
Voor natuuronderwijs gebruiken we vanaf groep 3 de methode 'Natuurlijk'. Niet alleen de levende natuur komt daarin aan bod, maar ook wordt aandacht geschonken aan het milieu, de leefomgeving en natuurkunde. Het is een methode die prima aansluit bij onze werkwijze waarin het 'zelfstandig werken' (zie 6.4) een grote plaats inneemt. Bovendien is de methode uitstekend geschikt voor combinatiegroepen en voldoet aan de eisen die de overheid stelt.
Voor aardrijkskunde is in 2007 de nieuwste versie van de methode “Geobas” aangeschaft. Daarmee beschikken we over een 'up-to-date' methode t.b.v. ons aardrijkskundeonderwijs.
Geschiedenisonderwijs start in groep 3.
Het kind onderwijzen in de geschiedenis vinden we belangrijk. We werken dit jaar voor het eerst met de methode “Bij de tijd.” Deze methode is geschikt voor het gebruik in combinatiegroepen en sluit meer aan bij onze manier van zelfstandig werken.
Hiervoor gebruiken we de methode 'Klaar........over'. De methode richt zich op het aanleren van kennis en technische vaardigheden en het ontwikkelen van sociaal gedrag die samen moeten leiden tot een veilige verkeersbeleving bij kinderen.
In groep 7 doen de kinderen mee aan het theoretisch - en praktisch verkeersexamen.
De kleuters zijn dagelijks te vinden in het speellokaal, zowel 's morgens als 's middags. Bij goed weer spelen ze natuurlijk buiten op het plein.
Per week krijgen de kinderen vanaf groep 3 twee maal drie kwartier bewegingsonderwijs. In groep 5 gaan de kinderen een keer per week daarvan zwemmen.
Bij bewegingsonderwijs maken we sinds 2009 gebruik van de nieuwste versie van de methode 'Basislessen bewegingsonderwijs'.
Voor tekenen, handvaardigheid en muziek wordt vanaf groep 3 ook gebruik gemaakt van methoden. Voor muziek is dat ‘Muziek voor de basisschool’ , voor tekenen 'Tekenvaardig', voor handvaardigheid is dat 'Handvaardig'. Daarnaast maken de leerkrachten ook gebruik van andere suggesties.
Sinds enkele jaren zijn we voor de kinderen vanaf groep 5 gestart met een creatieve middag op de vrijdag. Een gedeelte van de middag wordt hier aan besteed.
ICT -onderwijs staat voor Informatie - en Communicatie Technologie, oftewel: het werken met computers. Aan het eind van het schooljaar 2001-2002 is een computernetwerk in gebruik genomen waar miv. het daarop volgend schooljaar gewerkt wordt.
De komende jaren neemt het zelfstandig werken een steeds grotere plaats in onze school in. Het is een werkvorm waarbij de leerkracht de aandacht voor een bepaalde groep kinderen uitstelt. Daardoor kan de leerkracht ongestoord bezig zijn met de overige kinderen. Dit is vooral van belang in een combinatiegroep, maar ook voor kinderen die extra uitleg of hulp nodig hebben.
Belangrijk is dat de kinderen een van te voren afgesproken tijd leren zelfstandig te werken zonder daarbij de meester of juf in te schakelen. Dit houdt echter niet in dat zelfstandig werken hetzelfde is als 'alleen' werken. De kinderen mogen elkaar juist voorthelpen en leren zo met elkaar problemen op te lossen, nadat ze het eerst zelf geprobeerd hebben.
Na het zelfstandig werken krijgen de kinderen altijd de gelegenheid om vragen te stellen en de juf of meester besteedt dan alsnog aandacht aan de kinderen. Bij zelfstandig werken hoort ook dat de kinderen weten wat ze kunnen doen wanneer ze klaar zijn met de opdracht die de leerkracht heeft gegeven. Daarvoor worden in alle groepen vervolgopdrachten ontwikkeld.
Bij zelfstandig werken is het belangrijk dat kinderen weten hoe dat gebeurt. Daarvoor wordt een aantal afspraken opgesteld. Aan de hand van die afspraken wordt kinderen geleerd zoveel mogelijk zelfstandig te werken. De kinderen van groep 4 leren werken met een dag takenkaart. De leerlingen van de groepen 5 t/m 8 werken met een week takenkaart. Hierop staat moet -, mag – en extra werk.
Bij de keuze van onze nieuwe methodes, materialen en werkwijzen laten we ons ook leiden door het gebruik daarvan bij zelfstandig werken. Het zelfstandig werken is op onze school nog volop in ontwikkeling en zal voortdurend uitbreiden.
Om u enig inzicht te geven in de tijd die aan onderwijs wordt besteed ziet u hieronder een tabel waarin wordt aangegeven hoeveel tijd per week aan de verschillende onderdelen wordt besteed. De tijd kan overigens van jaar tot jaar enigszins verschillen. Ook per periode kunnen er verschillen zijn, het gaat om gemiddelden die kunnen variëren.
|
|
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
|
|
|
Zintuiglijke en lichamelijke oefening |
|
|
2.00 |
2.15 |
2.00 |
2.00 |
2.30 |
2.15 |
|
|
|
Nederlandse taal |
3.30 |
4.15 |
9.00 |
8.45 |
8.00 |
7.45 |
6.30 |
7.15 |
|
|
|
Rekenen en wiskunde |
|
|
4.30 |
4.30 |
4.45 |
4.45 |
4.45 |
4.15 |
|
|
|
Engels |
|
|
|
|
|
|
1.00 |
1.15 |
|
|
|
Aardrijkskunde |
|
|
|
|
1.00 |
1.00 |
2.00 |
1.45 |
|
|
|
Geschiedenis |
|
|
|
|
1.00 |
1.00 |
1.00 |
1.30 |
|
|
|
Wereldoriëntatie |
0.30 |
1.00 |
1.15 |
|
|
|
|
|
|
|
|
Biologie |
|
|
|
1.00 |
0.30 |
0.45 |
1.00 |
1.30 |
|
|
|
Verkeer |
|
|
|
1.00 |
0.30 |
0.30 |
0.45 |
|
|
|
|
Gezond gedrag |
2.15 |
1.15 |
0.30 |
|
|
|
|
|
|
|
|
Expressie |
14.45 |
14.30 |
2.30 |
2.15 |
4.30 |
4.30 |
2.45 |
3.15 |
|
|
|
Godsdienst |
1.15 |
1.15 |
2.30 |
2.30 |
2.30 |
2.30 |
2.30 |
2.30 |
|
|
|
Pauzes |
1.15 |
1.15 |
1.15 |
1.15 |
1.15 |
1.15 |
1.15 |
1.00 |
|
|
|
Totaal |
23.30 |
23.30 |
23.30 |
23.30 |
26.00 |
26.00 |
26.00 |
26.00 |
|
Afhankelijk van de groep waarin een kind zit, krijgt het twee of drie maal per jaar een rapport mee. De kinderen in groep 1 en 2 ontvangen aan het eind van het schooljaar een rapport, vanaf groep 3 wordt dat drie maal per jaar. Per leerjaar kunnen de rapporten verschillen: een kleuter doet nu eenmaal niet hetzelfde als een leerling van groep 8.
We proberen het huiswerk op onze school 'binnen de perken' te houden. We leren de kinderen vanaf groep 5 wekelijks een lied dat ook op school wordt gezongen. Vanaf groep 4 krijgen de kinderen de dicteewoorden mee naar huis om te oefenen, vanaf groep 6 krijgen de kinderen steeds wat meer huiswerk mee (o.a. aardrijkskunde, geschiedenis) om zo de overgang naar het voortgezet onderwijs te vergemakkelijken.